Vijftien augustus 1870, liepen twee hongerige mannen over de havenkade toen ze een aantal mandjes met spiering zagen. (De enigszins naar komkommer ruikende visjes, die leken op zalm, konden in wat bloem in zijn geheel gebakken worden.) 

De eerste was Anthonie Dubbelman, 33 jaar oud en geboren in Moerdijk, de ander was Marijn de Jong, 36 jaar oud en geboren in Hoeven. Beiden werkten vermoedelijk als sjouwer in de haven. Ze woonden beiden in 'Moerdijk onder de Klundert".

De twee verdienden niet veel en leefden waarschijnlijk in redelijk slechte omstandigheden. Daarom vroegen ze de man die de mandjes met spiering aan het uitladen was of zij geen mandje mochten hebben. De man weigerde en zei "Ga naar Bart van Veen en vraag het aan hem. Ik ben voor hem aan het uitladen. Hij is nu de eigenaar."

vs_spiering.jpgAnthonie en Marijn vroegen niets aan Bart van Veen, maar namen gewoon een mandje met vis mee. Toen de knecht van de visser Bart van Veen, Gerrit de Rooy de twee mannen een mandje zagen pakken, vroeg hij of ze daar toestemming voor hadden. Anthonie en Marijn beweerde dat ze toestemming hadden van Bart van Veen om één mandje te pakken.  Een andere visser, Albert van der Zalen, was getuige van dit gesprek.

Toen de visser van zijn knecht hoorde dat twee mannen een mandje spiering hadden genomen die beweerden zijn toestemming daarvoor te hebben, ging hij naar de politie om aangifte te doen. De politie nam de getuigenverklaringen van vier getuigen: Bart van Veen en zijn knecht Gerrit Leenderts de Rooy, Albert van der Zalen die het gesprek tussen de mannen had gehoord en Gerrit en Anthonie Ruinschatel die de mandjes spiering aan Bart van Veen leverden.

Vijftien augustus kwam de zaak voor de rechter. De openbaar aanklager stelde dat Anthonie en Marijn schuldig waren aan diefstal, maar dat er verzachtende omstandigheden waren. De eis was een gevangenis straf van één maand en het betalen van de kosten van de rechtszaak.

De rechter deed uitspraak op 9 september 1870. Hij veroordeelde Anthonie en Marijn tot 14 dagen cel en het betalen van de gerechtskosten. Hij motiveerde de straf met het feit dat de waarde van het gestolen niet groot was (minder dan 1 gulden) en dat hij rekening hield met de omstandigheden die tot de diefstal leidde.