Griendbaas

De naam van het beroep griendbaas komt van de term grienden. Dit waren de natte gebieden in de toenmalige Biesbosch die begroeid waren met riet en waterwilgen. Het gebied werd gevormd door de monding van de rivier en de eb en vloed van de Noordzee. Het water was brak. Het verschil tussen eb en vloed kon oplopen tot ongeveer twee meter. Dit maakte het werken in de Biesbosch een harde en gevaarlijke onderneming.

De griendbaas was de baas die soms wel meer dan honderd griendwerkers aan het werk had op de grienden. Daar sneden ze riet, knotten ze wilgen tot net boven de grond en plantten ze nieuwe wilgen aan in de modderige grond. De griendwerkers kwamen pas naar huis terug wanneer hun platte boot vol was gepakt met riet of wilgenhout. Ze leefden in de tussentijd in zelf (op droog blijvende plaatsen) gebouwde hutjes, soms wel twee weken lang. Hun proviand en persoonlijke spullen bewaarden ze in langwerpige houten kistjes van circa 25 cm breed en 75 cm lang. Op deze manier konden de ratten er niet bij. 

De griendbaas verwerkte vaak ook de geoogste wilgentakken tot hoepels die gebruikt werden voor de productie van houten tonnen. Het dunnere hout werd gevlochten tot o.a. stoelzittingen. Het dikkere hout werd ook wel gebruikt voor waterwerken (zinkmatten).

Toen de metalen oliedrum intrede deed en plastic de plaats innam van de kleinere houten tonnen, stierf het beroep van griendbaas uit. De eens rijke griendbazen zagen hun bron van bestaan opdrogen. Door hun rijkdom konden ze een groot gezin onderhouden en dit verklaart ook de grote gezinnen in mijn eigen stamreeks. De kinderen groeiden ook op tot volwassenen door goede voeding en kregen later vaak nog een middel van bestaan mee. 

Pages: 1 2